Bij het vellen van bomen moet steeds rekening worden gehouden met beschermde diersoorten, waaronder vleermuizen. Om ervoor te zorgen dat dit op een uniforme en juridisch correcte manier gebeurt, heeft het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) een duidelijke richtlijn opgesteld voor het uitvoeren van een soortentoets. Deze richtlijn bestaat uit twee grote onderdelen: een quickscan van mogelijke verblijfplaatsen in bomen en een quickscan van aanwezige vleermuizen in het gebied.
De eerste stap is het onderzoeken van boomholtes. Veel vleermuizen maken gebruik van natuurlijke holtes om te rusten, jongen te werpen of te paren. Daarom wordt gestart met een visuele inspectie vanop de grond, bij voorkeur buiten het bladerseizoen, zodat potentiële holtes goed zichtbaar zijn. Als tijdens deze eerste screening aanknopingspunten worden gevonden, volgt een detailonderzoek waarbij elke holte wordt beoordeeld op geschiktheid en op mogelijke sporen van gebruik, zoals uitwerpselen, karakteristieke geurtjes, een gladdere ingang of parasieten. Holtes die na deze beoordeling een matige tot hoge kans op gebruik tonen, worden tijdens de actieve periode van vleermuizen – van juni tot en met september – minstens drie keer verder opgevolgd om te bepalen of ze daadwerkelijk worden gebruikt.
Naast holtes wordt ook onderzocht welke vleermuissoorten in het projectgebied aanwezig zijn. Hiervoor worden minstens drie inventarisaties uitgevoerd bij gunstig weer: twee tussen 15 mei en 15 juli, waarvan één in juni en één bij voorkeur ’s ochtends en een derde tussen 15 augustus en 15 september, tijdens de paartijd.
Deze inventarisaties gebeuren met manuele of automatische batdetectoren en worden altijd uitgevoerd door een ervaren vleermuisexpert.
Het doel is te bepalen welke soorten en aantallen aanwezig zijn, hoe ze het gebied gebruiken – als zomer-, kraam- of paarverblijfplaats, foerageergebied of vliegroute – en waar eventuele verblijfplaatsen zich bevinden. Wanneer automatische detectie wordt gebruikt, is een aanvullend terreinbezoek verplicht om de gegevens correct te interpreteren.
Als uit de quickscans blijkt dat er daadwerkelijk verblijfplaatsen in het projectgebied zijn, volgt een gerichte inventarisatie in de vorm van een nader onderzoek. Hierbij wordt gezocht naar de exacte verblijfboom, die daarna wordt gemarkeerd en beschermd volgens de wettelijke richtlijnen.
Deze zorgvuldige aanpak door onze ABO ecologen garandeert niet alleen een correcte naleving van de natuurwetgeving, maar draagt ook bij aan het behoud van kwetsbare vleermuissoorten en een gezonde leefomgeving. Met een goed uitgevoerde soortentoets worden bomen op een verantwoorde en natuurvriendelijke manier beheerd.
Wenst u meer informatie over onze ecologiestudies, aarzel dan niet om contact op te nemen met:
Robrecht Reyskens
Robrecht.Reyskens@abo-group.eu
Business Unit Manager Milieu
Heeft u een project waar u zekerheid over de ondergrond nodig heeft? Neem contact op voor deskundig advies en een oplossing op maat. Samen zorgen we voor een succesvolle realisatie van uw project.